Woordenlijst

Leer werkwoorden – Zweeds

cms/verbs-webp/107407348.webp
resa runt
Jag har rest mycket runt om i världen.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
cms/verbs-webp/86710576.webp
avresa
Våra semester gäster avreste igår.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
cms/verbs-webp/67095816.webp
flytta ihop
De två planerar att flytta ihop snart.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
cms/verbs-webp/104167534.webp
äga
Jag äger en röd sportbil.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
cms/verbs-webp/102731114.webp
publicera
Förlaget har publicerat många böcker.
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
cms/verbs-webp/42212679.webp
arbeta för
Han arbetade hårt för sina bra betyg.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
cms/verbs-webp/63351650.webp
ställas in
Flygningen är inställd.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
cms/verbs-webp/43100258.webp
träffa
Ibland träffas de i trapphuset.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
cms/verbs-webp/67955103.webp
äta
Hönorna äter kornen.
eten
De kippen eten de granen.
cms/verbs-webp/118008920.webp
börja
Skolan börjar just för barnen.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
cms/verbs-webp/124525016.webp
ligga bakom
Tiden för hennes ungdom ligger långt bakom.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
cms/verbs-webp/49853662.webp
skriva över
Konstnärerna har skrivit över hela väggen.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.