Woordenlijst
Leer werkwoorden – Zweeds
skörda
Vi skördade mycket vin.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
täcka
Hon täcker sitt hår.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
ge
Fadern vill ge sin son lite extra pengar.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
ljuga
Ibland måste man ljuga i en nödsituation.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
vänta
Min syster väntar ett barn.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
klara
Studenterna klarade provet.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
erbjuda
Hon erbjöd sig att vattna blommorna.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
skicka iväg
Detta paket kommer att skickas iväg snart.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
be
Han ber tyst.
bidden
Hij bidt in stilte.
transportera
Lastbilen transporterar varorna.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
förstå
Jag förstod äntligen uppgiften!
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!