Woordenlijst

Leer werkwoorden – Zweeds

cms/verbs-webp/118759500.webp
skörda
Vi skördade mycket vin.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
cms/verbs-webp/125319888.webp
täcka
Hon täcker sitt hår.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
cms/verbs-webp/119913596.webp
ge
Fadern vill ge sin son lite extra pengar.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
cms/verbs-webp/99725221.webp
ljuga
Ibland måste man ljuga i en nödsituation.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
cms/verbs-webp/119613462.webp
vänta
Min syster väntar ett barn.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
cms/verbs-webp/119269664.webp
klara
Studenterna klarade provet.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
cms/verbs-webp/59250506.webp
erbjuda
Hon erbjöd sig att vattna blommorna.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
cms/verbs-webp/113136810.webp
skicka iväg
Detta paket kommer att skickas iväg snart.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
cms/verbs-webp/73751556.webp
be
Han ber tyst.
bidden
Hij bidt in stilte.
cms/verbs-webp/84365550.webp
transportera
Lastbilen transporterar varorna.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
cms/verbs-webp/40326232.webp
förstå
Jag förstod äntligen uppgiften!
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
cms/verbs-webp/40094762.webp
väcka
Väckarklockan väcker henne klockan 10 på morgonen.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.