Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
denken
Wie denk je dat sterker is?