Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
sturen
Hij stuurt een brief.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
wassen
De moeder wast haar kind.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.