Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
wait
She is waiting for the bus.
wachten
Ze wacht op de bus.
wash up
I don’t like washing the dishes.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
trade
People trade in used furniture.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
thank
I thank you very much for it!
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
cover
She covers her face.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
repair
He wanted to repair the cable.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
tell
I have something important to tell you.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
protect
Children must be protected.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
sleep
The baby sleeps.
slapen
De baby slaapt.
meet
Sometimes they meet in the staircase.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
paint
I’ve painted a beautiful picture for you!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!