Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
pull up
The taxis have pulled up at the stop.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
limit
During a diet, you have to limit your food intake.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
exclude
The group excludes him.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
accept
I can’t change that, I have to accept it.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
live
They live in a shared apartment.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
burn
He burned a match.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
drive home
After shopping, the two drive home.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
avoid
He needs to avoid nuts.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
trade
People trade in used furniture.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
marry
Minors are not allowed to be married.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
speak out
She wants to speak out to her friend.