Woordenlijst
Leer werkwoorden – Zweeds
lyssna
Han gillar att lyssna på sin gravida frus mage.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
lyssna på
Barnen gillar att lyssna på hennes berättelser.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
ändra
Ljuset ändrades till grönt.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
måla
Jag har målat en vacker bild åt dig!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
hända
Konstiga saker händer i drömmar.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
överraska
Hon överraskade sina föräldrar med en present.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
springa ut
Hon springer ut med de nya skorna.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
sova
Bebisen sover.
slapen
De baby slaapt.
stanna
Taxibilarna har stannat vid stoppet.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
täcka
Näckrosorna täcker vattnet.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
höra
Jag kan inte höra dig!
horen
Ik kan je niet horen!