Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
send
This company sends goods all over the world.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
call
She can only call during her lunch break.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
wash up
I don’t like washing the dishes.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
chat
He often chats with his neighbor.
openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.
open
The safe can be opened with the secret code.
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
listen
She listens and hears a sound.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
talk badly
The classmates talk badly about her.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
pass by
The train is passing by us.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
divide
They divide the housework among themselves.
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
sit down
She sits by the sea at sunset.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
show
I can show a visa in my passport.