Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/122010524.webp
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
påtage sig
Jeg har påtaget mig mange rejser.
cms/verbs-webp/101383370.webp
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
gå ud
Pigerne kan lide at gå ud sammen.
cms/verbs-webp/124046652.webp
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
komme først
Sundhed kommer altid først!
cms/verbs-webp/79317407.webp
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
beordre
Han beordrer sin hund.
cms/verbs-webp/51119750.webp
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
finde vej
Jeg kan finde vej godt i en labyrint.
cms/verbs-webp/91696604.webp
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
tillade
Man bør ikke tillade depression.
cms/verbs-webp/111160283.webp
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
forestille sig
Hun forestiller sig noget nyt hver dag.
cms/verbs-webp/103719050.webp
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
udvikle
De udvikler en ny strategi.
cms/verbs-webp/35071619.webp
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
passere
De to passerer hinanden.
cms/verbs-webp/84472893.webp
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
ride
Børn kan lide at ride på cykler eller løbehjul.
cms/verbs-webp/62069581.webp
sturen
Ik stuur je een brief.
sende
Jeg sender dig et brev.
cms/verbs-webp/118232218.webp
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
beskytte
Børn skal beskyttes.