Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
tælle
Hun tæller mønterne.
tellen
Ze telt de munten.
fjerne
Håndværkeren fjernede de gamle fliser.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
investere
Hvad skal vi investere vores penge i?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
samle
Sprogkurset samler studerende fra hele verden.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
plukke
Hun plukkede et æble.
plukken
Ze plukte een appel.
se klart
Jeg kan se alt klart gennem mine nye briller.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
afkode
Han afkoder det med småt med et forstørrelsesglas.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
ødelægge
Tornadoen ødelægger mange huse.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
bringe tilbage
Hunden bringer legetøjet tilbage.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
træde på
Jeg kan ikke træde på jorden med denne fod.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
dø
Mange mennesker dør i film.
sterven
Veel mensen sterven in films.