Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
comment
He comments on politics every day.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
consume
She consumes a piece of cake.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
move
My nephew is moving.
rennen
De atleet rent.
run
The athlete runs.
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
offer
What are you offering me for my fish?
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
summarize
You need to summarize the key points from this text.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
order
She orders breakfast for herself.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
cause
Too many people quickly cause chaos.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
dial
She picked up the phone and dialed the number.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
cut up
For the salad, you have to cut up the cucumber.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
like
The child likes the new toy.