Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
use
Even small children use tablets.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
fight
The fire department fights the fire from the air.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
depart
Our holiday guests departed yesterday.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
leave
Tourists leave the beach at noon.
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
lose
Wait, you’ve lost your wallet!
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
fight
The athletes fight against each other.
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
endorse
We gladly endorse your idea.
missen
Ik zal je zo erg missen!
miss
I will miss you so much!
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
criticize
The boss criticizes the employee.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
turn off
She turns off the electricity.
smaken
Dit smaakt echt goed!
taste
This tastes really good!