Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
expect
My sister is expecting a child.
vormen
We vormen samen een goed team.
form
We form a good team together.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
pass
The students passed the exam.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
vote
One votes for or against a candidate.
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
take apart
Our son takes everything apart!
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
undertake
I have undertaken many journeys.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
transport
We transport the bikes on the car roof.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
underline
He underlined his statement.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
drive away
One swan drives away another.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
jump over
The athlete must jump over the obstacle.
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
endorse
We gladly endorse your idea.