Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
pay
She pays online with a credit card.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
explain
She explains to him how the device works.
zingen
De kinderen zingen een lied.
sing
The children sing a song.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
correct
The teacher corrects the students’ essays.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
strengthen
Gymnastics strengthens the muscles.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
change
A lot has changed due to climate change.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
reward
He was rewarded with a medal.
wassen
De moeder wast haar kind.
wash
The mother washes her child.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
cut out
The shapes need to be cut out.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
travel
He likes to travel and has seen many countries.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
renew
The painter wants to renew the wall color.