Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
sturen
Hij stuurt een brief.
send
He is sending a letter.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
become friends
The two have become friends.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
touch
He touched her tenderly.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
receive
He received a raise from his boss.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
return
The teacher returns the essays to the students.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
expect
My sister is expecting a child.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
depart
Our holiday guests departed yesterday.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
want to leave
She wants to leave her hotel.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
enter
The ship is entering the harbor.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
spend money
We have to spend a lot of money on repairs.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
destroy
The tornado destroys many houses.