Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
clean
The worker is cleaning the window.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
wake up
The alarm clock wakes her up at 10 a.m.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
command
He commands his dog.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
lie behind
The time of her youth lies far behind.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
renew
The painter wants to renew the wall color.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
make progress
Snails only make slow progress.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
win
He tries to win at chess.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
sign
He signed the contract.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
surprise
She surprised her parents with a gift.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
move
It’s healthy to move a lot.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
transport
The truck transports the goods.