Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
hug
He hugs his old father.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
avoid
She avoids her coworker.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
kick
They like to kick, but only in table soccer.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
throw
He throws the ball into the basket.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
want to leave
She wants to leave her hotel.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
win
He tries to win at chess.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
write all over
The artists have written all over the entire wall.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
hire
The company wants to hire more people.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
hope
Many hope for a better future in Europe.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
understand
One cannot understand everything about computers.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
serve
The chef is serving us himself today.