Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
name
How many countries can you name?
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
pass
Time sometimes passes slowly.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
run towards
The girl runs towards her mother.
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
need
I’m thirsty, I need water!
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
order
She orders breakfast for herself.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
complete
He completes his jogging route every day.
eten
De kippen eten de granen.
eat
The chickens are eating the grains.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
beat
Parents shouldn’t beat their children.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
live
They live in a shared apartment.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
touch
He touched her tenderly.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
suggest
The woman suggests something to her friend.