Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
geloven
Veel mensen geloven in God.
believe
Many people believe in God.
rennen
De atleet rent.
run
The athlete runs.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
damage
Two cars were damaged in the accident.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
chat
They chat with each other.
activeren
De rook activeerde het alarm.
trigger
The smoke triggered the alarm.
eisen
Hij eist compensatie.
demand
He is demanding compensation.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
show
I can show a visa in my passport.
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
offer
What are you offering me for my fish?
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
forgive
I forgive him his debts.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
say goodbye
The woman says goodbye.