Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
walk
He likes to walk in the forest.
springen
Hij sprong in het water.
jump
He jumped into the water.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
reduce
I definitely need to reduce my heating costs.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
drive away
One swan drives away another.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
happen
Something bad has happened.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
look down
I could look down on the beach from the window.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
paint
She has painted her hands.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
return
The dog returns the toy.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
cut to size
The fabric is being cut to size.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
serve
Dogs like to serve their owners.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
get used to
Children need to get used to brushing their teeth.