Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.
take over
The locusts have taken over.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
turn off
She turns off the alarm clock.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
repair
He wanted to repair the cable.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
take back
The device is defective; the retailer has to take it back.
kussen
Hij kust de baby.
kiss
He kisses the baby.
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
prepare
They prepare a delicious meal.
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
describe
How can one describe colors?
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
look up
What you don’t know, you have to look up.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
deliver
He delivers pizzas to homes.
duwen
Ze duwen de man het water in.
push
They push the man into the water.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
train
Professional athletes have to train every day.