Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
endure
She can hardly endure the pain!
terugkomen
De boemerang kwam terug.
return
The boomerang returned.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
give
The father wants to give his son some extra money.
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
let through
Should refugees be let through at the borders?
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
order
She orders breakfast for herself.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
follow
My dog follows me when I jog.
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
describe
How can one describe colors?
overnachten
We overnachten in de auto.
spend the night
We are spending the night in the car.
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
build
When was the Great Wall of China built?
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
delight
The goal delights the German soccer fans.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
sound
Her voice sounds fantastic.