Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/110775013.webp
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
neerskryf
Sy wil haar besigheidsidee neerskryf.
cms/verbs-webp/68779174.webp
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
verteenwoordig
Prokureurs verteenwoordig hulle kliënte in die hof.
cms/verbs-webp/122707548.webp
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
staan
Die bergklimmer staan op die piek.
cms/verbs-webp/70864457.webp
brengen
De bezorger brengt het eten.
bring
Die afleweringspersoon bring die kos.
cms/verbs-webp/119613462.webp
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
verwag
My suster verwag ’n kind.
cms/verbs-webp/73649332.webp
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
skree
As jy gehoor wil word, moet jy jou boodskap hard skree.
cms/verbs-webp/129300323.webp
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
raak
Die boer raak sy plante aan.
cms/verbs-webp/99633900.webp
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
verken
Mense wil Mars verken.
cms/verbs-webp/63244437.webp
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
bedek
Sy bedek haar gesig.
cms/verbs-webp/33688289.webp
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
inlaat
Mens moet nooit vreemdelinge inlaat nie.
cms/verbs-webp/27076371.webp
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
behoort
My vrou behoort aan my.
cms/verbs-webp/75508285.webp
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
uitsien na
Kinders sien altyd uit na sneeu.