Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
reis
Hy hou daarvan om te reis en het baie lande gesien.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
toelaat
Mens moet nie depressie toelaat nie.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
besit
Ek besit ’n rooi sportmotor.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
kom maklik
Surfing kom maklik vir hom.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
behoort
My vrou behoort aan my.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
verras
Sy het haar ouers met ’n geskenk verras.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
ry huis toe
Na inkopies doen, ry die twee huis toe.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
sorteer
Ek het nog baie papier om te sorteer.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
bedek
Die kind bedek sy ore.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
ry rond
Die motors ry rond in ’n sirkel.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
roep op
My onderwyser roep my dikwels op.