Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/130770778.webp
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
reis
Hy hou daarvan om te reis en het baie lande gesien.
cms/verbs-webp/91696604.webp
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
toelaat
Mens moet nie depressie toelaat nie.
cms/verbs-webp/104167534.webp
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
besit
Ek besit ’n rooi sportmotor.
cms/verbs-webp/109157162.webp
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
kom maklik
Surfing kom maklik vir hom.
cms/verbs-webp/27076371.webp
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
behoort
My vrou behoort aan my.
cms/verbs-webp/125884035.webp
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
verras
Sy het haar ouers met ’n geskenk verras.
cms/verbs-webp/41019722.webp
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
ry huis toe
Na inkopies doen, ry die twee huis toe.
cms/verbs-webp/123367774.webp
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
sorteer
Ek het nog baie papier om te sorteer.
cms/verbs-webp/55788145.webp
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
bedek
Die kind bedek sy ore.
cms/verbs-webp/93697965.webp
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
ry rond
Die motors ry rond in ’n sirkel.
cms/verbs-webp/21689310.webp
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
roep op
My onderwyser roep my dikwels op.
cms/verbs-webp/45022787.webp
doden
Ik zal de vlieg doden!
doodmaak
Ek sal die vlieg doodmaak!