Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
gooi
Hy gooi die bal in die mandjie.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
wen
Hy probeer om by skaak te wen.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
aanvaar
Sommige mense wil nie die waarheid aanvaar nie.
genieten
Ze geniet van het leven.
geniet
Sy geniet die lewe.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
uittrek
Onkruid moet uitgetrek word.
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
lui
Hoor jy die klok lui?
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
let op
’n Mens moet op die verkeerstekens let.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
reis
Hy hou daarvan om te reis en het baie lande gesien.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
hernu
Die skilder wil die muurkleur hernu.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
trap op
Ek kan nie met hierdie voet op die grond trap nie.
smaken
Dit smaakt echt goed!
proe
Dit proe regtig lekker!