Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
denken
Wie denk je dat sterker is?
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.