Woordenlijst
Catalaans – Werkwoorden oefenen
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
meerijden
Mag ik met je meerijden?
zingen
De kinderen zingen een lied.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.