Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
påtage sig
Jeg har påtaget mig mange rejser.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
flytte sammen
De to planlægger at flytte sammen snart.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
parkere
Cyklerne er parkeret foran huset.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
beordre
Han beordrer sin hund.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
modtage
Han modtog en lønforhøjelse fra sin chef.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
efterlade
Hun efterlod mig en skive pizza.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
dække
Vandliljerne dækker vandet.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
forbinde
Denne bro forbinder to kvarterer.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
bevæge
Det er sundt at bevæge sig meget.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
møde
De mødte først hinanden på internettet.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
plukke
Hun plukkede et æble.
plukken
Ze plukte een appel.