Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/122010524.webp
påtage sig
Jeg har påtaget mig mange rejser.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
cms/verbs-webp/67095816.webp
flytte sammen
De to planlægger at flytte sammen snart.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
cms/verbs-webp/92612369.webp
parkere
Cyklerne er parkeret foran huset.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
cms/verbs-webp/79317407.webp
beordre
Han beordrer sin hund.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
cms/verbs-webp/117897276.webp
modtage
Han modtog en lønforhøjelse fra sin chef.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
cms/verbs-webp/124274060.webp
efterlade
Hun efterlod mig en skive pizza.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
cms/verbs-webp/114379513.webp
dække
Vandliljerne dækker vandet.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cms/verbs-webp/79201834.webp
forbinde
Denne bro forbinder to kvarterer.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
cms/verbs-webp/119335162.webp
bevæge
Det er sundt at bevæge sig meget.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
cms/verbs-webp/114593953.webp
møde
De mødte først hinanden på internettet.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
cms/verbs-webp/91254822.webp
plukke
Hun plukkede et æble.
plukken
Ze plukte een appel.
cms/verbs-webp/129203514.webp
chatte
Han chatter ofte med sin nabo.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.