Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
rennen
De atleet rent.
løbe
Atleten løber.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
tage
Hun skal tage en masse medicin.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
svare
Eleven svarer på spørgsmålet.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
understrege
Han understregede sin udtalelse.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
forlade
Turisterne forlader stranden ved middagstid.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
forklare
Hun forklarer ham, hvordan apparatet fungerer.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
underskrive
Han underskrev kontrakten.
samenwerken
We werken samen als een team.
arbejde sammen
Vi arbejder sammen som et team.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
skifte
Bilmekanikeren skifter dæk.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
fastsætte
Datoen bliver fastsat.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
tjekke
Tandlægen tjekker tænderne.