Wortschatz
Adverbien lernen – Niederländisch
uit
Ze komt uit het water.
heraus
Sie kommt aus dem Wasser heraus.
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
allein
Ich genieße den Abend ganz allein.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
aber
Das Haus ist klein aber romantisch.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
hinab
Sie springt hinab ins Wasser.
altijd
Hier was altijd een meer.
immer
Hier war immer ein See.
veel
Ik lees inderdaad veel.
viel
Ich lese wirklich viel.
al
Het huis is al verkocht.
schon
Das Haus ist schon verkauft.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
herab
Er stürzt von oben herab.
bijna
Ik raakte bijna!
beinahe
Ich hätte beinahe getroffen!
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
hinaus
Das kranke Kind darf nicht hinaus.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
bisschen
Ich will ein bisschen mehr.