Wortschatz

Adverbien lernen – Niederländisch

cms/adverbs-webp/102260216.webp
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
morgen
Niemand weiß, was morgen sein wird.
cms/adverbs-webp/98507913.webp
alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
alle
Hier kann man alle Flaggen der Welt sehen.
cms/adverbs-webp/29115148.webp
maar
Het huis is klein maar romantisch.
aber
Das Haus ist klein aber romantisch.
cms/adverbs-webp/164633476.webp
opnieuw
Ze ontmoetten elkaar opnieuw.
wieder
Sie haben sich wieder getroffen.
cms/adverbs-webp/166784412.webp
ooit
Heb je ooit al je geld aan aandelen verloren?
jemals
Hast du jemals alles Geld mit Aktien verloren?
cms/adverbs-webp/135100113.webp
altijd
Hier was altijd een meer.
immer
Hier war immer ein See.
cms/adverbs-webp/133226973.webp
net
Ze is net wakker geworden.
eben
Sie ist eben wach geworden.
cms/adverbs-webp/162590515.webp
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
genug
Sie will schlafen und hat genug von dem Lärm.
cms/adverbs-webp/155080149.webp
waarom
Kinderen willen weten waarom alles is zoals het is.
warum
Kinder wollen wissen, warum alles so ist, wie es ist.
cms/adverbs-webp/7769745.webp
opnieuw
Hij schrijft alles opnieuw.
nochmal
Er schreibt alles nochmal.
cms/adverbs-webp/121564016.webp
lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.
lange
Ich musste lange im Wartezimmer warten.
cms/adverbs-webp/174985671.webp
bijna
De tank is bijna leeg.
nahezu
Der Tank ist nahezu leer.