Wortschatz
Adverbien lernen – Niederländisch
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
morgen
Niemand weiß, was morgen sein wird.
alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
alle
Hier kann man alle Flaggen der Welt sehen.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
aber
Das Haus ist klein aber romantisch.
opnieuw
Ze ontmoetten elkaar opnieuw.
wieder
Sie haben sich wieder getroffen.
ooit
Heb je ooit al je geld aan aandelen verloren?
jemals
Hast du jemals alles Geld mit Aktien verloren?
altijd
Hier was altijd een meer.
immer
Hier war immer ein See.
net
Ze is net wakker geworden.
eben
Sie ist eben wach geworden.
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
genug
Sie will schlafen und hat genug von dem Lärm.
waarom
Kinderen willen weten waarom alles is zoals het is.
warum
Kinder wollen wissen, warum alles so ist, wie es ist.
opnieuw
Hij schrijft alles opnieuw.
nochmal
Er schreibt alles nochmal.
lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.
lange
Ich musste lange im Wartezimmer warten.