Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
embrace
The mother embraces the baby’s little feet.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
cancel
He unfortunately canceled the meeting.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
take part
He is taking part in the race.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
depart
The ship departs from the harbor.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
save
My children have saved their own money.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
chat
He often chats with his neighbor.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
walk
He likes to walk in the forest.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
cover
She has covered the bread with cheese.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
write down
She wants to write down her business idea.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
accept
Some people don’t want to accept the truth.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
produce
One can produce more cheaply with robots.