Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
instellen
Je moet de klok instellen.
set
You have to set the clock.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
paint
The car is being painted blue.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
get lost
It’s easy to get lost in the woods.
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.
open
The festival was opened with fireworks.
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
manage
Who manages the money in your family?
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
write all over
The artists have written all over the entire wall.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
stand
She can’t stand the singing.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
show
I can show a visa in my passport.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
get upset
She gets upset because he always snores.
sturen
Ik stuur je een brief.
send
I am sending you a letter.
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.
overcome
The athletes overcome the waterfall.