Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
endure
She can hardly endure the pain!
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
use
Even small children use tablets.
ondersteunen
We ondersteunen de creativiteit van ons kind.
support
We support our child’s creativity.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
tell
She tells her a secret.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
exercise restraint
I can’t spend too much money; I have to exercise restraint.
eten
De kippen eten de granen.
eat
The chickens are eating the grains.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
know
She knows many books almost by heart.
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
repeat
Can you please repeat that?
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
search
The burglar searches the house.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
lie
Sometimes one has to lie in an emergency situation.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
pull up
The helicopter pulls the two men up.