Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
happen to
Did something happen to him in the work accident?
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
destroy
The tornado destroys many houses.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
cut out
The shapes need to be cut out.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
stand
The mountain climber is standing on the peak.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
need
You need a jack to change a tire.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
accompany
The dog accompanies them.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
leave to
The owners leave their dogs to me for a walk.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
translate
He can translate between six languages.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
hire
The applicant was hired.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
jump around
The child is happily jumping around.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
get by
She has to get by with little money.