Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
say goodbye
The woman says goodbye.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
see again
They finally see each other again.
eisen
Hij eist compensatie.
demand
He is demanding compensation.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
take part
He is taking part in the race.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
hope
Many hope for a better future in Europe.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
bring together
The language course brings students from all over the world together.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
paint
He is painting the wall white.
produceren
We produceren onze eigen honing.
produce
We produce our own honey.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
get to know
Strange dogs want to get to know each other.
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
describe
How can one describe colors?
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
park
The bicycles are parked in front of the house.