Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
serveren
De ober serveert het eten.
serve
The waiter serves the food.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
save
The girl is saving her pocket money.
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
offer
What are you offering me for my fish?
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
cause
Sugar causes many diseases.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
summarize
You need to summarize the key points from this text.
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
listen
She listens and hears a sound.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
burn
The meat must not burn on the grill.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
change
The car mechanic is changing the tires.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
protect
A helmet is supposed to protect against accidents.
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
come out
What comes out of the egg?
horen
Ik kan je niet horen!
hear
I can’t hear you!