Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
contain
Fish, cheese, and milk contain a lot of protein.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
go
Where are you both going?
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
pull up
The taxis have pulled up at the stop.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
go by train
I will go there by train.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
limit
Fences limit our freedom.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
search
I search for mushrooms in the fall.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
accompany
The dog accompanies them.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
chat
He often chats with his neighbor.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
run out
She runs out with the new shoes.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
command
He commands his dog.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
accept
Credit cards are accepted here.