Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
move in together
The two are planning to move in together soon.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
save
The girl is saving her pocket money.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
explain
She explains to him how the device works.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
hug
He hugs his old father.
rennen
De atleet rent.
run
The athlete runs.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
jump around
The child is happily jumping around.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
travel
He likes to travel and has seen many countries.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
use
She uses cosmetic products daily.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
park
The bicycles are parked in front of the house.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
protect
The mother protects her child.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
see clearly
I can see everything clearly through my new glasses.