Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
raak
Die boer raak sy plante aan.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
verf
Die motor word blou geverf.
werken
Ze werkt beter dan een man.
werk
Sy werk beter as ’n man.
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
opdateer
Deesdae moet jy jou kennis voortdurend opdateer.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
afbrand
Die vuur sal baie van die woud afbrand.
samenwerken
We werken samen als een team.
saamwerk
Ons werk saam as ’n span.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
vereenvoudig
Jy moet ingewikkelde dinge vir kinders vereenvoudig.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
ontsyfer
Hy ontsyfer die klein druk met ’n vergrootglas.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
jaag weg
Een swaan jaag ’n ander weg.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
verkies
Ons dogter lees nie boeke nie; sy verkies haar foon.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
verduidelik
Sy verduidelik aan hom hoe die toestel werk.