Woordenlijst

Leer werkwoorden – Hausa

cms/verbs-webp/106725666.webp
duba
Ya duba wanda ke zaune nan.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
cms/verbs-webp/27076371.webp
zama
Matata ta zama na ni.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
cms/verbs-webp/125402133.webp
taba
Ya taba ita da yaƙi.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
cms/verbs-webp/122398994.webp
kashe
Kiyaye, za ka iya kashe mutum da wannan gatari!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
cms/verbs-webp/90321809.webp
kashe kuɗi
Mun kashe kuɗi mai yawa don gyara.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
cms/verbs-webp/75423712.webp
canza
Wuta ya canza zuwa mai rawa.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
cms/verbs-webp/58883525.webp
shiga
Ku shiga!
binnenkomen
Kom binnen!
cms/verbs-webp/117311654.webp
kai
Suna kai ‘ya‘yan su akan maki.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
cms/verbs-webp/22225381.webp
tafi
Jirgin ruwa ya tafi daga tasha.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
cms/verbs-webp/89636007.webp
rubuta
Ya rubuta a kan aikin.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
cms/verbs-webp/26758664.webp
adana
Ɗalibanmu sun adana kuɗinsu.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
cms/verbs-webp/89084239.webp
rage
Lallai ina bukatar rage kudin da nake bada wa silil.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.