Woordenlijst
Leer werkwoorden – Hausa
duba
Ya duba wanda ke zaune nan.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
zama
Matata ta zama na ni.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
taba
Ya taba ita da yaƙi.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
kashe
Kiyaye, za ka iya kashe mutum da wannan gatari!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
kashe kuɗi
Mun kashe kuɗi mai yawa don gyara.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
canza
Wuta ya canza zuwa mai rawa.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
shiga
Ku shiga!
binnenkomen
Kom binnen!
kai
Suna kai ‘ya‘yan su akan maki.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
tafi
Jirgin ruwa ya tafi daga tasha.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
rubuta
Ya rubuta a kan aikin.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
adana
Ɗalibanmu sun adana kuɗinsu.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.