Woordenlijst

Leer werkwoorden – Hausa

cms/verbs-webp/21529020.webp
gudu zuwa
Yarinya ta gudu zuwa ga uwar ta.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
cms/verbs-webp/94909729.webp
jira
Muna iya jira wata.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
cms/verbs-webp/118232218.webp
kare
Dole ne a kare ‘ya‘yan yara.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
cms/verbs-webp/93221270.webp
rasa hanyar
Na rasa hanyar na.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
cms/verbs-webp/91930542.webp
tsaya
‘Yar sandan ta tsaya mota.
stoppen
De agente stopt de auto.
cms/verbs-webp/129403875.webp
kara
Karar kunnuwa ta kara kowace rana.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
cms/verbs-webp/95655547.webp
bari gabaki
Babu wanda ya so ya bari shi gabaki a filin sayarwa na supermarket.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
cms/verbs-webp/107996282.webp
nuna
Malamin ya nuna alamar a gabatar da shi a gabansa.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
cms/verbs-webp/122394605.webp
canza
Mai gyara mota yana canza tayar mota.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
cms/verbs-webp/85871651.webp
tafi
Ina bukatar hutu, na bukata in tafi!
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
cms/verbs-webp/125400489.webp
bar
Masu watsa labarai suka bar jirgin kasa a rana.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
cms/verbs-webp/114091499.webp
koya
Karami an koye shi.
trainen
De hond wordt door haar getraind.