Woordenlijst
Leer werkwoorden – Hausa
gudu zuwa
Yarinya ta gudu zuwa ga uwar ta.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
jira
Muna iya jira wata.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
kare
Dole ne a kare ‘ya‘yan yara.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
rasa hanyar
Na rasa hanyar na.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
tsaya
‘Yar sandan ta tsaya mota.
stoppen
De agente stopt de auto.
kara
Karar kunnuwa ta kara kowace rana.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
bari gabaki
Babu wanda ya so ya bari shi gabaki a filin sayarwa na supermarket.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
nuna
Malamin ya nuna alamar a gabatar da shi a gabansa.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
canza
Mai gyara mota yana canza tayar mota.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
tafi
Ina bukatar hutu, na bukata in tafi!
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
bar
Masu watsa labarai suka bar jirgin kasa a rana.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.