Woordenlijst
Leer werkwoorden – Slovaaks
počúvať
Rád počúva bruško svojej tehotnej manželky.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
pokryť
Lekná pokrývajú vodu.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
klamať
Často klame, keď chce niečo predávať.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
odmeniť
Bol odmenený medailou.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
obmedziť
Mali by sa obmedziť obchody?
beperken
Moet handel worden beperkt?
cítiť
Často sa cíti osamelý.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
dať
Otec chce dať synovi nejaké extra peniaze.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
žiadať
On žiadal odškodnenie od človeka, s ktorým mal nehodu.
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.