Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
know
She knows many books almost by heart.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
think along
You have to think along in card games.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
practice
The woman practices yoga.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
run after
The mother runs after her son.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
run out
She runs out with the new shoes.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
look up
What you don’t know, you have to look up.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
dispose
These old rubber tires must be separately disposed of.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
pass
Time sometimes passes slowly.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
cover
She covers her hair.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
look at
On vacation, I looked at many sights.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
write all over
The artists have written all over the entire wall.