Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
zingen
De kinderen zingen een lied.
sing
The children sing a song.
kussen
Hij kust de baby.
kiss
He kisses the baby.
openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.
open
The safe can be opened with the secret code.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
check
He checks who lives there.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
write down
You have to write down the password!
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
prepare
They prepare a delicious meal.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
come closer
The snails are coming closer to each other.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
leave
Many English people wanted to leave the EU.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
let in
One should never let strangers in.
vernietigen
De bestanden worden volledig vernietigd.
destroy
The files will be completely destroyed.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
go further
You can’t go any further at this point.