Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
serveren
De ober serveert het eten.
serve
The waiter serves the food.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
simplify
You have to simplify complicated things for children.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
call on
My teacher often calls on me.
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
keep
I keep my money in my nightstand.
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
generate
We generate electricity with wind and sunlight.
zingen
De kinderen zingen een lied.
sing
The children sing a song.
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
know
The kids are very curious and already know a lot.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
exclude
The group excludes him.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
look down
She looks down into the valley.
ondersteunen
We ondersteunen de creativiteit van ons kind.
support
We support our child’s creativity.