Vocabulary

Learn Verbs – Dutch

cms/verbs-webp/129300323.webp
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
touch
The farmer touches his plants.
cms/verbs-webp/118026524.webp
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
receive
I can receive very fast internet.
cms/verbs-webp/61162540.webp
activeren
De rook activeerde het alarm.
trigger
The smoke triggered the alarm.
cms/verbs-webp/65840237.webp
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
send
The goods will be sent to me in a package.
cms/verbs-webp/123834435.webp
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
take back
The device is defective; the retailer has to take it back.
cms/verbs-webp/113393913.webp
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
pull up
The taxis have pulled up at the stop.
cms/verbs-webp/95056918.webp
leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.
lead
He leads the girl by the hand.
cms/verbs-webp/84506870.webp
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
get drunk
He gets drunk almost every evening.
cms/verbs-webp/120624757.webp
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
walk
He likes to walk in the forest.
cms/verbs-webp/5135607.webp
verhuizen
De buurman verhuist.
move out
The neighbor is moving out.
cms/verbs-webp/91997551.webp
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
understand
One cannot understand everything about computers.
cms/verbs-webp/118567408.webp
denken
Wie denk je dat sterker is?
think
Who do you think is stronger?