Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
kill
Be careful, you can kill someone with that axe!
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
send
This company sends goods all over the world.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
report to
Everyone on board reports to the captain.
drukken
Hij drukt op de knop.
press
He presses the button.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
repeat
My parrot can repeat my name.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
feel
She feels the baby in her belly.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
stand
She can’t stand the singing.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
repair
He wanted to repair the cable.
denken
Wie denk je dat sterker is?
think
Who do you think is stronger?
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
leave standing
Today many have to leave their cars standing.
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
get a turn
Please wait, you’ll get your turn soon!