Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
send
This company sends goods all over the world.
activeren
De rook activeerde het alarm.
trigger
The smoke triggered the alarm.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
look
Everyone is looking at their phones.
out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.
think outside the box
To be successful, you have to think outside the box sometimes.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
sell
The traders are selling many goods.
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
sit down
She sits by the sea at sunset.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
pass
The students passed the exam.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
ring
The bell rings every day.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
vote
One votes for or against a candidate.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
let in front
Nobody wants to let him go ahead at the supermarket checkout.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
waste
Energy should not be wasted.