Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
mention
The boss mentioned that he will fire him.
luisteren
Hij luistert naar haar.
listen
He is listening to her.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
respond
She responded with a question.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cover
The water lilies cover the water.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
change
A lot has changed due to climate change.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
fire
My boss has fired me.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
transport
The truck transports the goods.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
swim
She swims regularly.
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
end up
How did we end up in this situation?
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
deliver
Our daughter delivers newspapers during the holidays.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
avoid
He needs to avoid nuts.