Vocabulary

Learn Verbs – Dutch

cms/verbs-webp/94153645.webp
huilen
Het kind huilt in het bad.
cry
The child is crying in the bathtub.
cms/verbs-webp/89636007.webp
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
sign
He signed the contract.
cms/verbs-webp/123179881.webp
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
practice
He practices every day with his skateboard.
cms/verbs-webp/129403875.webp
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
ring
The bell rings every day.
cms/verbs-webp/90773403.webp
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
follow
My dog follows me when I jog.
cms/verbs-webp/80116258.webp
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
evaluate
He evaluates the performance of the company.
cms/verbs-webp/119188213.webp
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
vote
The voters are voting on their future today.
cms/verbs-webp/118064351.webp
vermijden
Hij moet noten vermijden.
avoid
He needs to avoid nuts.
cms/verbs-webp/94909729.webp
wachten
We moeten nog een maand wachten.
wait
We still have to wait for a month.
cms/verbs-webp/116932657.webp
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
receive
He receives a good pension in old age.
cms/verbs-webp/97335541.webp
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
comment
He comments on politics every day.
cms/verbs-webp/74119884.webp
openen
Het kind opent zijn cadeau.
open
The child is opening his gift.